‘Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer is op tien jaar tijd gehalveerd’

kade rechteroever

 

HET UUR VAN DE WAARHEID

‘Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer is op tien jaar tijd gehalveerd’

Elke weekdag om 17 uur slaat in dS Avond het Uur van de waarheid. De Standaard houdt tot de verkiezingen elke dag een uitspraak uit de campagne tegen het licht. Heeft de politicus u blaasjes wijsgemaakt of klopt zijn uitspraak? Factcheck!

 

‘Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer is op tien jaar tijd gehalveerd.’ Het was een opgemerkte uitspraak van Joris Vandenbroucke, die voor SP.A de Kamerlijst trekt. Hij deed ze twee dagen geleden, tijdens een verkiezingsdebat georganiseerd door Beweging.net. Zijn toehoorders keken verwonderd: zou het dan echt zo dramatisch gesteld zijn met ons pendelgedrag?

Vandenbroucke baseert zich voor zijn uitspraak op de resultaten van het Onderzoek Verplaatsingsgedrag, dat de Vlaamse overheid jaarlijks door de Universiteit van Hasselt laat opmaken. Daarvoor werden 1.600 Vlamingen bevraagd. De resultaten van de nieuwste editie, die de jaren 2017 en 2018 beslaat, werden gisteren bekendgemaakt (DS 8 mei).

Om zijn uitspraak te staven, verwijst Vandenbroucke naar het aandeel van de bus, tram en metro in 2008/2009 – toen dat met 5,2 procent op zijn hoogste punt ooit zat – en naar het aandeel ervan in 2016. In dat jaar bereikten de drie, allen georganiseerd door openbaarvervoermaatschappij De Lijn, met 2,51 procent dan weer een absoluut dieptepunt.

Kortom: er is alleen sprake van een halvering wanneer je het hoogste aandeel van de voorbije jaren afzet tegen het laagste. Maar wie de data van één jaar eerder en één jaar later vergelijkt, krijgt al een heel ander beeld. Dan is er eerder sprake van een status quo. Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer schommelt in het Onderzoek Verplaatsingsgedrag heftig – dus hangt alles ervan af welke edities je vergelijkt.

 

 
 

‘Niet ontwikkeld voor gedetailleerde evoluties’

Die schommelingen hebben een methodologische verklaring, zegt onderzoeker Davy Janssens. ‘Het Onderzoek Verplaatsingsgedrag heeft als opzet om – vanuit helikopterperspectief – een foto te nemen van de mobiliteit van de Vlamingen. Zodra je binnen dit onderzoek naar één bepaalde indicator gaat kijken – bijvoorbeeld het woon-werkverkeer –, en dan nog alleen naar bus, tram en metro, dan wordt het staal van mensen dat daarop antwoord heeft gegeven, klein. Dan zit er, zoals je ziet, veel variabiliteit in de resultaten.’

‘Ik weet dat politici er graag naar zoeken, maar dit onderzoek is niet ontwikkeld om zo gedetailleerde evoluties te meten’, zegt Janssens. ‘Daarvoor bestaan andere, beter geschikte methodieken.’ De professor verwijst zelf naar de Federale Diagnostiek Woon-werkverkeer. Dat onderzoek is gebaseerd op bevraging van ruim 11.000 Belgische werkgevers en had daarmee in 2017 informatie over maar liefst 1,5 miljoen werknemers. De resultaten zijn, wat woon-werkverkeer betreft, representatiever en betrouwbaarder dan die van het Onderzoek Verplaatsingsgedrag.

In 2005 bedroeg het aandeel van de bus, tram en metro in Vlaanderen 3,9 procent, in 2017 was dat 3,7 procent, tonen de resultaten van de Federale Diagnostiek.

Sneller op de fiets, dan op bus of tram

‘De finale vaststelling blijft overeind’, zegt Joris Vandenbroucke. ‘De voorbije jaren werd nooit meer het niveau gehaald van tien jaar geleden. Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer ligt structureel lager. En dat terwijl minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) van het woon-werkverkeer zijn focus zou maken. Daarin is hij mislukt.’

Van een positieve trend – die iedereen nochtans unaniem nodig acht – is inderdaad absoluut geen sprake. Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer ligt het laagste van alle mogelijke vervoersmiddelen. Maar liefst 71 procent van de pendelaars kiest vandaag nog altijd voor de auto om zich van en naar zijn of haar job te verplaatsen, en dat terwijl de filedruk de afgelopen jaren gestaag is toegenomen. Wie daarom alternatieven zoekt, grijpt eerder naar de (elektrische) fiets dan naar openbaar vervoer.

Die trend gaat samen met een afnemende tevredenheid onder de gebruikers van De Lijn. In 2018 gaf nog amper 62 procent de dienstverlening een score van minstens 7 op 10. Twee jaar eerder was dat nog 71 procent: de afname gaat dus snel. Ze is hoofdzakelijk te wijten aan de groeiende vertragingen voor bus en tram, die samen met auto’s in de file staan aan te schuiven.

Conclusie: De uitspraak van Joris Vandenbroucke is niet waar. Het aandeel van bus, tram en metro in het woon-werkverkeer is de voorbije jaren voorzichtig afgenomen – en dat is geen goede zaak voor de duurzaamheid van ons pendelverkeer. Maar van een halvering is geen sprake.

Jef Poppelmonde

 

De Standaard, 2019-05-09

http://www.standaard.be/cnt/dmf20190509_04388091?articlehash=9F513496172...

 

Tags: