DE STAD IS HEEL DE WERELD

kade rechteroever

lees deze week Knack Extra: De vlucht naar de stad

 

De mens wordt steeds meer een stadsdier, een dier dat nog steeds zijn biotoop aan het creëren is, in woord, daad en gedachte. Eric Corijn (VUB) schetst vanwaar we komen en hoe de stad in het hedendaagse global village weer haar aloude netwerktalenten te gelde maakt.

 

Stad en stedelijkheid behoren tot het DNA van het Europese continent. In de late middeleeuwen worden steden knooppunten in een netwerk van handelsrelaties, commerciële centra van ambachtslui en handelsgilden. Bankiers en burgers verwerven voldoende macht om zich af te zetten tegen de feodale orde. Precies dat verzet maakt Europa de bakermat van de moderniteit. Geen ontdekkingsreizen, geen renaissance, geen eeuw van de verlichting zonder die nieuwe stedelijkheid. Geen godsdienstige reformatie ook, geen kolonialisme en uiteindelijk geen Europees wereldsysteem. Vanuit die ommuurde stad die standhoudt tegen een feodale orde wordt de moderniteit geboren.

De industriële revolutie doorbreekt de omwalling, die veelal plaatsmaakt voor de eerste ringwegen. Fabrieken en arbeidersbuurten zorgen voor een negentiende-eeuwse gordel die de vele migranten uit het ommeland opvangt. Na de Eerste Wereldoorlog wordt het patroon van die stedelijke groei ook een wetenschappelijk onderzoeksdomein. De bevolking van het Amerikaanse Chicago vertwintigvoudigde tussen 1860 en 1910, tot bijna 2,2 miljoen inwoners. Robert Park en de Chicago School in de sociologie onderzochten die groei en hoe de verschillende groepen nieuwkomers zich in de stad vestigden. Park introduceerde de term stadsecologie, waarin net als in de natuur competitie de belangrijkste factor is. Sociale segregatie is in die optiek een gevolg van een strijd om de beste delen van de stad.

Stedenbouwkundigen en stadsplanners ontwikkelen nieuwe visies. Kritiek op de onleefbare industriestad leidt eerst tot een verheerlijking van de landelijke leefomgeving. Onder invloed van de utopische socialisten reageert de garden city movement op de slechte huisvesting voor arbeiders. Ebenezer Howard schrijft de principes daarvan neer: centrale parken, relatief kleine zelfstandige kernen, in reeksen van zes met elkaar verbonden, een groene gordel voor landbouw en recreatie... Begin twintigste eeuw worden ook bij ons tuinwijken als een tweede gordel rond het stadscentrum gebouwd.

 

De voorstad groeit

 

Een sterk uitgebouwd tramnet en goedkope abonnementen halen steeds meer boeren en plattelandsmensen als arbeiders naar de stad. Omgekeerd verhuizen stedelingen naar betere residentiële buitenbuurten. Het proces van 'suburbanisatie' en pendelen is ingezet. Moderne planologen zullen nieuwe ideeën ontwikkelen over die nieuwe stadsuitbreiding. De 'functioneel gezoneerde stad' staat centraal in de Congrès Internationaux de l'Architecture Moderne (CIAM), opgericht in 1928, en de voornaamste protagonist daarvan, Charles-Edouard Jeanneret-Gris, alias Le Corbusier. Dat denken levert ons in de jaren 1960 de gewestplannen op, met woongebieden en industrieterreinen als geïsoleerde eilanden verspreid over het land. Kritiek op de modernistische planningskoorts komt er met name van de Amerikaanse Jane Jacobs, die in The Death and Life of Great American Cities waarschuwt voor het verlies aan samenhang in een stad die bestaat uit 'monofunctionele' zones.

Onder de hegemonie van het christendemocratische gedachtegoed mag de modernisering, de verlate industrialisering van Vlaanderen in de jaren zestig en zeventig, geen afbreuk doen aan de dorpse en familiale tradities en zeker niet leiden tot een versnelde verstedelijking. De stad is immers een broedplaats van verderf en socialisten. Nieuwe industrieterreinen worden dus ontwikkeld in the middle of nowhere , buiten de woongebieden. De werkende bevolking wordt ertoe aangezet om te wonen in de verkavelingen dicht bij de geboortegrond. Het woon-werkverkeer wordt geregeld met buurtspoorwegen, bussen en later met de eigen auto. Zonder gedegen ruimtelijke planning wordt Vlaanderen vanuit een rist kleinstedelijke centra in linten volgebouwd. Van de modernis-tische planners nemen we wel de zonering over, maar niet het zorgvuldig ontwerp van wijken, buurten of industrieparken, zoals dat bijvoorbeeld in Nederland wel gebeurd is. In een netwerk van dorpen en relatief kleine steden blijven grootstedelijke problemen uitzonderlijk en vreemd. Hoewel de levensstijl intussen helemaal verstedelijkt en er overal winkels en diensten worden uitgebouwd.

In de golden sixties breekt immers de consumptiecultuur hier door. De American way of life inspireert de West-Europese welvaartsstaat. De voortdurende economische groei gecombineerd met het sociaal overleg zorgen voor een snelle stijging van de levensstandaard. Steden worden stilaan ook plaatsen van vermaak en verbruik. Productie en consumptie, wonen, werken en vrije tijd, upper- , middle- en lower-class ... Verschillende functies en bevolkingsgroepen moeten in een complex samenspel verbonden worden. MIT-professor Kevin Lynch verricht daarbij veel empirisch onderzoek over hoe 'gebruikers' door de stad navigeren en die 'lezen'. Mensen maken 'mentale kaarten' van de stad.

 

Naar een nieuwe wereldorde

 

De wereldwijde economische crisis van de jaren zeventig, de neoliberale wending van de jaren tachtig, de implosie van het Oostblok en het einde van de Koude Oorlog geven de wereld een totaal nieuw aanschijn. Weldra tellen we wereldwijd meer dan dertig megapolen van meer dan 10 miljoen inwoners, die zich vooral in de onderontwikkelde landen bevinden. In zijn bestseller Planet of Slums , schrijft Mike Davis dat de transitie die de menselijke beschaving nu meemaakt even belangrijk is als de neolithische of de industriële revolutie.

De wereld wordt één grote markt, natiestaten zijn niet langer bij machte hun grondgebied zelfstandig te reguleren, de politiek wordt gestuurd door concurrentie en financiële markten. Binnen dat systeem verschuiven ook de geopolitieke verhoudingen: de oude wereld verliest aan invloed, de opkomende BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China) zoeken regionale allianties, de wereldpolitiek wordt polycentrisch en vooral grootschaliger. In die nieuwe wereld spelen grote stedelijke agglomeraties een hoofdrol.

Sinds de negentiende eeuw is de wereld vormgegeven als een grote puzzel van landen. Samenleven en economie - zo wordt nog steeds gedacht - worden vooral geregeld binnen de landelijke containers die zich dan weer tot elkaar verhouden in 'internationale betrekkingen'. Intussen is die wereldorde, die space of places , echter overspoeld door een space of flows . De wereld is verbonden in stromen, verknoopt in de grootstedelijke gebieden, in een netwerk van global cities . Het stedennetwerk van weleer neemt het op sommige punten weer over van de internationale betrekkingen tussen natiestaten. Steden pogen zich te positioneren als polen in de wereld van morgen. Een stad van enig belang - en de concurrentie is groot - moet zich wat losmaken van haar land. En ze moet zich reppen om haar industriële verleden om te bouwen tot een postindustriële toekomst.

In de industriële economieën van de jaren zestig en zeventig produceerde de stad minder rijkdom dan het nationaal gemiddelde. Sinds de jaren negentig doen steden het veelal beter dan hun nationale economieën.

Zeker die steden die de omschakeling naar de diensten- en kenniseconomie hebben gemaakt. Zo is de tertiaire sector tegenwoordig goed voor 91 procent van de meer dan 700.000 arbeidsplaatsen in Brussel, tegenover nauwelijks 7 procent in de industrie. In Europa heeft Brussel de hoogst geschoolde arbeidsmarkt.

 

De stedelijke pardox

 

De rijkdom wordt dan wel in de stad geproduceerd, de stedelijke bevolking wordt armer. Dat is zeker ook in België het geval. Onze elites zijn nogal antistedelijk, geven de voorkeur aan de buitenwijken en laten het centrum aan de migranten. Eigen onderzoek in de grote stadsgewesten van België toont hoe economisch succes vooral de voorsteden ten goede komt, terwijl de sociale kwestie in de stad blijft hangen. Economische groei betekent niet langer sociale vooruitgang voor allen.

Dat sociaaleconomische spanningsveld staat centraal in elke visie op stedelijke ontwikkeling. Begin van deze eeuw vroeg de Vlaamse regering een groep experts de toestand hier te onderzoeken en een witboek stedenbeleid te schrijven. De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden (2003, gratis te downloaden op www.thuisindestad.be) wordt de start van een doorgedreven stedenbeleid met een eigen minister, een stedenfonds, een stadsmonitor, stadscontracten, convenanten, stadsvernieuwingsprojecten, een kenniscentrum... In enkele jaren tijd is er een zeer sterke dynamiek ontstaan, zeker in de centrumsteden, maar ook in vele kleinere centra.

Het is uiteindelijk maar een kleinschalige afspiegeling van wat internationaal in de onderzoekswereld gebeurt. Peter Taylor richtte de denktank Globalisation and World Cities (GaWC) op, die steden opdeelt volgens hun wereldwijde contacten en die netwerken in kaart brengt. Richard Florida wijst onder meer in The Rise of the Creative Class op het economische belang van concentraties van kenniswerkers en creatieve industrieën. Steden moeten drie t's verenigen: talent, tolerantie en technologie. Florida is nu de goeroe van de competitieve urbane middenklasse. In die wereld werken grote stedelijke ontwerpers als Rem Koolhaas, Frank Gehry, Santiago Calatrava, Jean Nouvel of Christian de Portzamparc aan urban attractors , architecturale statements die een stad meteen op de wereldkaart zetten. Daarnaast buigen wetenschappers zich over onderwerpen als de lokale economie, de informele sector, de stijgende armoede, de multiculturele spanning, de onveiligheid. Hoe beleid, private actoren en het middenveld met elkaar interageren, is het voorwerp van de urban regime -theorie, van auteurs als Clarence Stone, Karen Mossberger of Gerry Stoker.

Hier komt de actuele wetenschap en het onderzoek tot de kern van de democratie: kiezen voor een maatschappelijk project. De Belgische gemeenteraadsverkiezingen van oktober zullen in de centrumsteden gelijkaardige vragen stellen. Hoe rijm je een economisch met een sociaal beleid? Moet je de middenklasse uit de voorstad aantrekken? Of moet je eerder werken met de multiculturele stedelingen en voor een sociale en culturele vermenging gaan? Waar staan de partijen, waar staat het middenveld, de civiele maatschappij? Kun je bouwen op een stRaten-generaal of een stadsgesprek? Hoe staat het met de vier d's van een goede stedelijke ontwikkeling: densiteit, duurzaamheid, diversiteit en democratie? En hoe past dat alles in een samenwerking met de rand, én met partners in de wijde wereld?

Mondialisering is ook verstedelijking. De stad wordt steeds meer de biotoop van de mens. In het begin van de twintigste eeuw woonde tien procent van de mensheid in steden. Ondertussen is dat al meer dan de helft, op de meeste ontwikkelde continenten zelfs als over de 80 procent. Stad en stedelijkheid zijn de plaats van de planetaire samenleving. Het is die politieke agenda die zich opdringt: think global, act local , steden en stedennetwerken. Het behoort tot het wezen van Europa en zeker van de Lage Landen. En het is een mogelijke uitweg uit vele impasses.

CULTUURFILOSOOF EN SOCIAAL WETENSCHAPPER ERIC CORIJN IS AAN DE VRIJE UNIVERSITEIT BRUSSEL HOOFD VAN HET DEPARTEMENT GEOGRAFIE EN VAN HET ONDERZOEKSCENTRUM VOOR STADSSTUDIES COSMOPOLIS. HIJ IS COAUTEUR VAN HET WITBOEK STEDENBELEID DE EEUW VAN DE STAD . WWW.COSMOPOLIS.BE

Eric Corijn
Knack Extra 15-02-2012 pag. 42

Tags: