Een schaap in wolvenvacht

kade rechteroever

Het parlement heeft alle bevoegdheden die niet expliciet door de grondwet worden ontzegd. Maar omdat de parlementairen aan de partijketting liggen, is het parlement een schaap in wolvenvacht. Zoals anderen voor hen, hebben nu ook Hendrik Vuye en Veerle Wouters ondervonden dat de vrijheid van mening voor de parlementair relatief is, en in elk geval ondergeschikt blijft aan de partijtucht.


In een voorwoord bij het nog altijd geestige boekje 'Wetstraat' van Louis Ryckeboer schreef Gaston Eyskens over de nieuwkomers in het parlement: 'Daar vindt men, na elke verkiezing, de nieuwe vertegenwoordigers, de mannen uit de provincie en de arrondissementen, die binnendringen met idealisme, enthousiasme en de wil van hervormers, zwanger van slogans en partijprogramma's, maar die aldra ontnuchterd worden door de 'heren met lange ervaring'.' Die ontnuchtering was deze week het deel van Hendrik Vuye en Veerle Wouters.


Het parlement heeft alle bevoegdheden die niet expliciet door de grondwet worden ontzegd. Maar omdat de parlementairen via hun fractie aan de partijketting liggen, is het parlement een schaap in wolvenvacht. De vrijheid van de parlementair is relatief en blijft in elk geval ondergeschikt aan de partijtucht. Zeker als die partij deel uitmaakt van de meerderheid. De grond van het dispuut tussen de N-VA-top en Vuye en Wouters, ook het gevolg van nijd en afgunst in de verdeelde N-VA-Kamerfractie, werd in De Tijd al omstandig toegelicht. Blijft de altijd weerkerende vraag of de volksvertegenwoordiger die kapt met zijn partij ook mag blijven zetelen tot het einde van de regeerperiode.


Daags na de bandbreuk bij de N-VA tweette Kris Hoflack, algemeen hoofdredacteur van de commerciële omroep VTM: 'Uit een partij stappen omdat je je zin niet krijgt en als onafhankelijke zetelen [is] niet echt een voorbeeld van politieke hygiëne.' In een opiniestuk in De Standaard stelde Stefaan Walgrave, politicoloog van de Universiteit Antwerpen, het nog krachtiger: 'Het mag stilaan de gewoonte zijn dat parlementsleden die uit de partij stappen hun mandaat behouden. Dat deden Vuye en Wouters ook, maar eigenlijk klopt het niet. Parlementsleden zijn verkozen op partijlijsten, ze zijn niet de eigenaar van hun mandaat. Hun partij is dat.'
Vooral het standpunt van de academicus Walgrave is merkwaardig, omdat het niet strookt met de grondwet, die in artikel 42 letterlijk zegt: 'De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie en niet enkel degenen die hen hebben verkozen.' Duidelijker dan dat kan het niet worden gesteld. Zelfs na zes staatshervormingen is in dat grondwetsartikel van partijen nog altijd geen sprake. Partijen zijn feitelijke verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid. Zelfs in het Kamerreglement is alleen sprake van de fracties.


Wat de grondwet hier bepaalt, is wat Edmund Burke al in 1774 zijn kiezers in Bristol op het hart drukte in een terecht beroemd gebleven toespraak. Daarin kondigde hij aan geen afgevaardigde van de lokale kieskring te zullen zijn, maar een verdediger van het algemeen belang. Volgens artikel 42 van de grondwet neemt de verkozene, eens de eed afgelegd, zijn mandaat persoonlijk op en niet als afgevaardigde van zijn partij. Hij is bijgevolg alleen nog verantwoording verschuldigd aan de kiezers, en niet alleen aan de kiezers die voor hem en dus ook voor zijn partij gekozen hebben, maar aan álle kiezers in het land. Dat laatste wordt vaak vergeten door de verdedigers van de federale kieskring. En om te garanderen dat hij kan optreden in alle onafhankelijkheid, los van partijen, belangenverenigingen en drukkingsgroepen, krijgt de volksvertegenwoordiger een wedde. Die remuneratie wordt niet door de partij, maar door de belastingbetaler betaald.

 

Doofstom

Historicus Frederik Verleden heeft in 'De vertegenwoordigers van de natie in partijdienst' haarfijn uiteengezet hoe de partijen er na de Tweede Wereldoorlog gaandeweg in zijn geslaagd om de parlementaire werking naar hun hand te zetten. Waardoor de leden van de meerderheid in het parlement niet langer het algemeen belang behartigen, maar moeten fungeren als doofstomme steunberen van de regering. Men moet al ver teruggaan in de tijd om een voorbeeld te vinden van een mandataris die in alle openheid van mening verschilde met zijn partij. Een van de laatste vrije dino's was CVP'er Jan Verroken. Hij leidde de val in van de regering-Vanden Boeynants waarvan de christendemocraten deel uitmaakten, en verwierp het Egmontpact dat door zijn voorzitter Wilfried Martens was onderhandeld, zonder dat zijn partij hem buiten bonjourde.


De partijfinanciering, door de partijen zelf georganiseerd, is de ketting waaraan de parlementairen vastliggen. Want via de partijfinanciering bepalen de partijoligarchen wie wel en wie niet op een verkiesbare plaats op de lijst komt. Wat de liberaal Herman De Croo ooit deed opmerken dat België nu veel minder kiezers telt dan in 1831. Politicoloog Wilfried Dewachter stelde met enige ironie vast dat de belangrijkste verkiezingen die van de partijvoorzitters zijn.
In alle partijen heerst vandaag een ijzeren discipline. De mandataris moet elke uitspraak, elk opiniestukje, zeker als het van eigen makelij is, gedwee aan de partijbonzen voorleggen. Om een minister te ondervragen, laat staan te interpelleren, moet een mandataris van de meerderheid een toelating vragen. Toch is die partijdiscipline volgens politicoloog Walgrave niet alleen billijk, 'het is ook gewoon beter voor de democratie. Het maakt het voor de burger makkelijker om zich te informeren over de standpunten van de partij.'


Jammer genoeg heeft die discipline schadelijke bijwerkingen. Het toenemende ongeloof in de parlementaire democratie is er een van. Dat wordt aangewakkerd door de vaststelling dat de partijen, zodra ze aan de macht zijn, prompt hun verkiezingsprogramma door de snippermachine jagen. Een andere is het stijgende aantal actiegroepen dat het beleid countert en via juridische weg tot een ander beleid dwingt.

 

Slonzige democratie

Naar aanleiding van de 500ste verjaardag van 'Utopia' van Thomas More, in 1516 in Leuven gedrukt door Dirk Martens, verscheen de essaybundel 'Andersland'. In zijn pittige bijdrage trekt sp.a'er Louis Tobback politieke lessen uit 'Utopia', onder meer 'over slonzige democratie'. De Leuvense burgemeester mag er niet aan denken in die utopische samenleving te moeten leven. Toch vindt hij bij Thomas More een pleidooi voor het rigoureus respecteren van democratische beslissings- en controleorganen. 'Zonder strikte afspraken over wie wat doet en beslist, en zonder naleving van die afspraken, heb je geen democratie.'


Daarbij moeten actiecomités als Ringland en stRaten-generaal het ontgelden. 'Wie vertegenwoordigen zij?', vraagt Tobback zich af. 'Iemand als de socioloog Luc Huyse vindt dat fantastisch. Eindelijk worden die mensen gehoord! Eindelijk wordt de kloof tussen politici en de burger gedicht!' Daarmee en met de loterij van David Van Reybrouck moeten ze bij hem niet komen aandraven: 'Die actiegroepen eisen het recht op om mee te beslissen over ons belastinggeld, maar zijn nooit op democratische wijze verkozen. Is dat de nieuwe democratie?'


En over dat laatste gaat het. De Kamerleden zijn wel verkozen, maar ze mogen niets beslissen. In heel Europa werkt de verkrotting van het parlement de opkomst van antisysteempartijen in de hand. Niemand wenst te denken aan de gevolgen als die de macht grijpen met een uitgeholde volksvertegenwoordiging als controleur. Als er al aan een zevende staatshervorming wordt gesleuteld, dan is het de hoogste tijd om zich ook te beraden over de bevrijding van het parlement , de versterking van de armslag van de verkozene en het indijken van de macht van de partijen.


Paleis der Natie is de wekelijkse opiniebijdrage van Rik Van Cauwelaert voor De Tijd.
RIK VAN CAUWELAERT
De Tijd 24-09-2016 pag. 61
http://www.tijd.be/opinie/column/Een_schaap_in_wolvenvacht.9812558-2337.art

Tags: