Inspraak mondjesmaat

kade rechteroever

Alleen het toeval heeft ze op dezelfde dag laten plaatsgrijpen, maar de twee grote nieuwsfeiten van gisteren, het Oosterweelakkoord en de Nederlandse verkiezingen, hebben toch nog iets anders gemeen dan hun datum. Beide stellen ze de vraag naar hoe de democratie functioneert. In het Nederlandse geval ging het om de (vaak overtrokken en eenzijdig geformuleerde) vraag of het brede wantrouwen in de politiek ook daar via de radicaal-rechtse Geert Wilders (PVV) zou leiden tot het verder rollen van de vermeende ‘populistische golf’ tegen de klassieke politiek. Commentaren bij het princiepsakkoord over Oosterweel stelden dan weer dat nu een eind moet komen aan het ‘conflictmodel’ in dat dossier, wat wel heel tegenstrijdig oogt – of had de overheid dit infrastructuurproject dan toch willen doordrukken in een sfeer van conflict of zelfs tegen de wil van hen die er horen baat bij te hebben, de bevolking?

Toch was het inderdaad dat laatste beeld dat de voorbije twee decennia overheerste. De volgehouden bestuurlijke en administratieve koppigheid (het ging immers om ‘beslist beleid’) kon alleen worden gestuit door een even hardnekkig verzet, via onder meer de rechter en een referendum – maar ook omdat burger- en middenveldorganisaties overtuigende alternatieven ontwikkelden voor de oorspronkelijke overheidsplannen.

Zodat nu de vrome gedachte opkomt of de overheid haar plannen niet beter in een veel vroeger stadium aan het publiek had voorgelegd om ervoor, al dan niet met ingrijpende aanpassingen, een breed draagvlak te creëren. Dan zou van een confrontatie met de geëngageerde burger nooit sprake zijn geweest, en al evenmin van tijdverlies, inefficiëntie of de verkwisting van moeite en geld. Terwijl het compromis van gisteren hoe dan ook een beter en evenwichtiger plan oplevert. Uiteindelijk dreigt nu alleen nog het risico dat, eens de zo lang geweerde, prijzige overkapping (nu geraamd op 1,25 miljard euro) klaar zal zijn, de wereld tegen dan de elektrische auto al zal hebben omarmd, zodat die investering niet eens meer nuttig zal zijn.

Politici loven de rol van de actiegroepen in Oosterweel, als het maar bij deze ene keer blijft

Toch blijft het de vraag of de politiek wel degelijk van plan is om dergelijke omvangrijke projecten voortaan in een meer intense dialoog met de bevolking tot stand te brengen. Want ondertussen werkt de Vlaamse regering aan hervormingen die precies zijn bedoeld om het tegendeel te bereiken, om het burgers moeilijker te maken om hun stem te laten horen – al zou dat, zoals in het Antwerpse geval, een beter en ruimer gedragen alternatief opleveren. Met een eerste ingreep wil de Vlaamse regering, die er kennelijk van uitgaat dat balsturige buurtbewoners ‘in het wilde weg’ procederen, het indienen van bezwaren tegen bouwvergunningen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen restrictiever maken. Een tweede ingreep is bedoeld om een beroep bij de Raad van State te omzeilen door over zogeheten complexe projecten, zoals de geplande Limburgse Noord-Zuidverbinding, het Vlaamse Parlement te laten beslissen, zodat bezwaren ertegen alleen nog mogelijk zullen zijn via de langdurigere en meestal niet opschortende procedure bij het Grondwettelijk Hof. Dat sluit inspraak bij grote infrastructuurplannen virtueel uit en maakt een beroep ertegen vrijwel kansloos.

Allicht doelde de Antwerpse burgemeester Bart De Wever (N-VA) op die plannen toen hij gisteravond in het VRT-Journaal stelde dat de politiek wel haar lesje had geleerd uit de Oosterweelsoap. Waaruit te begrijpen valt dat de actiegroepen alleen mee aan tafel werden gevraagd om samen een compromis uit te werken, omdat ze nu eenmaal beschikten over middelen om er dat plaatsje af te dwingen: een hangende procedure bij de Raad van State, die ze nu beloofden te zullen intrekken, plus naar verluidt 75.000 handtekeningen voor een eventueel volgend referendum tegen de hangende Oosterweelplannen. Hoezeer gisteren de inbreng van de burgerorganisaties ook werd geprezen, van harte was het kennelijk toch allerminst.

Als deze tijd zou getuigen van wantrouwen bij de burger tegenover de politiek, dan blijkt dat wederzijds te zijn. Het zoeken naar ‘draagvlak’ voor overheidsplannen is in de praktijk slechts selectief. Regeringen verschuilen zich liever achter hun parlementaire meerderheid dan dat ze blijk geven van leiderschap om de bevolking te overtuigen van wat ze in de zin hebben. Of, in het slechtste geval, is dat draagvlak slechts een onderbuikgevoel dat ze vooral niet willen verstoren met een initiatief dat enige durf of politieke moed vraagt.

Marc Reynebeau
De Standaard 16-03-2017
http://www.standaard.be/cnt/dmf20170316_02782846

Tags: