Gelukkig zonder fietspaden

kade rechteroever

Net toen de komkommers tot hun volle wasdom waren gekomen, publiceerde ik een polemisch stukje onder de titel ‘Van fietspadlobby naar fietslobby’. Het werd mijn meest gelezen blogpost ooit en toen De Standaard hem publiceerde op haar opiniepagina’s kwamen er reacties van de Fietsersbond, de voorzitter van de programmaraad van het Fietsberaad (en burgemeester van Deinze) Jan Vermeulen en de Gentse schepen voor mobiliteit Filip Watteeuw.

De laatste gaf me gelijk. De twee anderen vonden dat ik de bal missloeg. Met argumenten, zij het met argumenten die elkaar neutraliseerden: de Fietsersbond stelde al lang geen fietspadlobby meer te zijn, Jan Vermeulen vond dan weer dat Fietsersbond & co best nog wel een tijdje ‘fietspadlobby’ zouden blijven.

Los daarvan begrijp ik de verschillende standpunten: politici kunnen alle steun van het middenveld gebruiken om fietsvoorzieningen erdoor te krijgen (Vermeulen) of de rol van de auto terug te dringen (Watteeuw) en de Fietsersbond doet begrijpelijkerwijze (want in wisselende contexten van ‘haalbaarheid’) nu eens het ene en dan weer het andere. Maar volgens mij te weinig (zichtbaar) het andere.

De eenzame fietser (1)

Het volstaat niet om de scherpe kantjes te vijlen van het automobilismeparadigma. Aangezien het oude paradigma zichzelf letterlijk en figuurlijk vastrijdt, leven we in een tijdsgewricht waarin we vorm moeten geven aan een nieuw mobiliteitsparadigma (dat, zoals ik schreef in mijn boek ‘Weg van mobiliteit’, wat mij betreft mobiliTijd kan heten). In die paradigmastrijd is een belangrijke rol weggelegd voor Fietsersbonden en aanverwante.

Dat fietsers beter af zijn in een wereld zonder fietsvoorzieningen (met geen of minder auto’s) dan in een wereld met fietsvoorzieningen (maar veel auto’s), is één van mijn basisargumenten om te stellen dat we komaf moeten maken met het voorlopig nog dominante automobilisme.

Recent vond ik een mooi historisch ‘bewijs’ van de juistheid van dat argument, in het zeer lezenswaardige boek ‘Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014’ van de Nederlandse planoloog Han Lörzing. Hij schetst het verkeerslandschap in de jaren 50 als volgt:

Fietsen was voor de meeste Nederlanders een uitstekend alternatief voor het openbaar vervoer, het was veel goedkoper en vaak sneller. Zolang er weinig auto’s op straat reden, had de fietser het rijk bijna alleen. Het was een indrukwekkend gezicht, al die fietsers die als koningen van de weg in grote groepen door de straten reden. En dat terwijl de fietsvoorzieningen zoals wij die tegenwoordig vanzelfsprekend vinden, nog grotendeels ontbraken. Het aantal straten met vrijliggende fietspaden was klein, er waren nauwelijks fietsstroken 288 op het wegdek geschilderd (en al helemaal niet in die mooie rode en groene kleuren van nu), fietstunnels en fietsviaducten waren vrijwel afwezig en van afzonderlijke verkeerslichten voor fietsers had nog niemand gehoord. Desondanks, of misschien wel juist daarom, was het heerlijk fietsen in die jaren. Automobilisten hielden weliswaar weinig rekening met fietsers, maar ze waren met weinigen en konden door de onophoudelijke stroom fietsen in de spitsuren gemakkelijk geïntimideerd worden. De jaren vijftig staan in de collectieve herinnering voor gebrek aan avontuur en onvrijheid, maar zeker voor een jonge fietser in die tijd was de straat een feest van avontuur en vrijheid.” (blz. 287-288)

Duidelijk toch?

Daarmee is meteen ook wat tegengewicht gegeven aan al die noorderburen die het ‘fietsland’ zien in Nederland, maar niet het ‘autoland’. Een mooi voorbeeld van Gestaltpsychologie dat Escher tot een pracht van een prent had kunnen inspireren.

Escher

  • LORZING HAN, Jaren van verandering, Nederland tussen 1945 en 2014, Athenaeum – Polak&Van Gennep, Amsterdam 2014, 543 blz.

De Andere Kris Peeters 28-08-2015
https://deanderekrispeeters.wordpress.com/2015/08/28/gelukkig-zonder-fietspaden/

Tags: